
De arbeidsproductiviteit in de voedingsmiddelenindustrie kwam het laatste decennium tot stilstand, stagnatie dreigt. Achterblijvende investeringen in kapitaal en het lage aantal faillissementen wijzen op een gebrek aan economische vernieuwing. Te veel leunen op arbeid is gegeven de toenemende arbeidskrapte en vergrijzing niet houdbaar. Consolidatie van bedrijven en forse investeringen in robotisering bieden kansen voor een hoger groeipad.
Download het complete rapport
Lees alle feiten en ontwikkelingen in het rapport 'Magere groei voedingsbedrijven leunt op goedkope arbeid'.
In het najaar van 2024 presenteerde Mario Draghi zijn invloedrijke rapport over de concurrentiepositie van de Europese Unie. Hij concludeert onder andere dat de Europese productiviteit stagneert. Draghi wijst op slechte toegang tot risicodragend kapitaal, hoge regeldruk en fragmentatie van de Europese markt. In zijn analyses richt hij zich op tien sectoren, maar laat de voedingsmiddelenindustrie buiten beschouwing. Een eerste blik op de arbeidsproductiviteit – de hoeveelheid geproduceerde goederen of diensten per arbeidsuur – laat echter zien dat deze voor de voedingsmiddelenindustrie nauwelijks groeit (zie figuur 1).
Sinds 2000 is de arbeidsproductiviteit van de voedingsmiddelenindustrie met slechts 12 procent toegenomen. Het laatste decennium is deze zelfs tot stilstand gekomen. De sector loopt daarbij uit de pas met andere industriële bedrijven (63 procentpunten achterstand over 23 jaar). Ten opzichte van zijn belangrijkste toeleverancier – de landbouw – bedraagt de achterstand 50 procentpunten. Waarom groeit de arbeidsproductiviteit van de boer, de metaal- en chipindustrie wel en die van de industrie die vis, vlees, groente en andere landbouwproducten verwerkt nauwelijks?
De volumes in de voedingsmiddelenindustrie staan onder druk als gevolg van veranderende consumptiegedrag en lagere bevolkingsgroei. De combinatie van volumedruk en lage groei in de arbeidsproductiviteit is problematisch omdat het resulteert in lagere winstmarges voor voedingsbedrijven. Een hogere productiviteit biedt juist kansen om lonen te laten stijgen en onze welvaart te verhogen. Wat zijn de onderliggende oorzaken van de lage arbeidsproductiviteitsgroei in de voedingsmiddelenindustrie? Wat kan de slachterij en de frisdrankproducent doen om de productiviteit aan te jagen?
Schaarse arbeid belangrijkste aanjager van toegevoegde waarde
De toegevoegde waarde van een bedrijf is het verschil tussen omzet en de inkoopkosten. De toegevoegde waarde kan je verhogen door meer arbeid en kapitaal in te zetten én door de productiviteit te verhogen, al spelen ook tal van factoren als schaalvoordelen en weersomstandigheden een rol. De toegevoegde waarde in de voedingsmiddelenindustrie is over de afgelopen 23 jaar slechts met 7 procent toegenomen.
Als we de toegevoegde waarde voor de voedingsmiddelenindustrie ontleden, leren we dat arbeid de belangrijkste aanjager is geweest (zie figuur 2). Als we kijken over een periode van 23 jaar komt dit vooral doordat de arbeidsproductiviteit omhoog is gegaan. Concreet betekent dit dat er productiemedewerkers vervangen zijn door technisch meer hoogwaardige machines die door minder mensen bestuurd kunnen worden. Kijken we enkel naar de afgelopen 10 jaar, dan zien we echter dat de groei voortkomt uit een toename in het aantal arbeidsuren. Simpel gesteld: de werknemers zijn de afgelopen 10 jaar dus niet slimmer, maar méér gaan werken.
De arbeidsmarkt is al jaren oververhit. Vacatures voor productiemedewerkers worden maar lastig gevuld. De Nederlandse beroepsbevolking vergrijst waardoor krapte op de lange termijn aannemelijk is. De voedingsindustrie leunt daardoor sterk op arbeidskrachten, met name uit Oost-Europa .
Aan deze bron van betaalbare arbeid lijkt echter een einde te komen. Oost-Europese arbeidsmigranten eisen hogere vergoedingen of komen helemaal niet meer naar Nederland nu de economische welvaart in hun thuisland toeneemt. Bovendien zorgt nieuwe wet- en regelgeving dat rechten van arbeidsmigranten worden verstevigd, waardoor hun arbeidskosten stijgen. Het verder verhogen van het aantal arbeidsuren lijkt daarmee geen structurele oplossing voor het aanjagen van groei.
Economische vernieuwing blijft achter op andere sectoren
De kosten voor ongeschoolde arbeid waren de afgelopen jaren laag. Het is voor voedingsproducenten verleidelijk om voor winst op korte termijn te gaan in plaats van groei op de lange termijn. Bovendien is het een stuk gemakkelijker om extra handen in de fabriek in te huren dan een extra machine aan te schaffen. Arbeid geeft de producent een hogere mate van flexibiliteit. Veel bedrijven in de voedingsindustrie bleven daardoor inzetten op extra arbeid waardoor investeringen in kapitaal – zoals machines, gebouwen maar ook computers en software – uitbleven. De bijdrage van kapitaal aan de groei van de toegevoegde waarde is dan ook vrijwel nihil geweest over de afgelopen jaren (zie figuur 2).
De relatieve investeringen in kapitaal (ten opzichte van productievolume) in de voedingsmiddelenindustrie liggen rond de 2,3 procent (zie figuur 3), met name in machines en installaties. Gemiddeld investeren bedrijven in de commerciële sector bijna twee keer zoveel in kapitaal.
Te veel leunen op arbeid en te weinig investeringen in kapitaal wijst op een gebrek aan economische vernieuwing. Economische vernieuwing is noodzakelijk voor toekomstige groei. De econoom Schumpeter noemt dit proces ‘creatieve destructie’. Dit fenomeen leggen we uit aan de hand een tweede aanwijzing die hier op duidt: het aantal faillissementen ligt op een historisch laag niveau, zie figuur 4.
Het is economisch gezond dat bedrijven failliet gaan zodat bedrijven competitie voelen, middelen efficiënt inzetten, innoveren en nieuwe bedrijven de markt kunnen betreden. Tijdens de COVID-crisis kwam de economie in een zware economische dip. Zonder overheidssteun zou dit resulteren in een faillissementsgolf. Om de economie op korte termijn te stutten lanceerde de overheid massale steunpakketten. Bedrijven werden in de lucht gehouden door loonsubsidies en kredieten om vaste lasten te blijven te betalen. Het aantal faillissementen bleef uit. Sterker nog, er gingen minder bedrijven failliet ten opzichte periodes met economische hoog conjunctuur. Dankzij de overheidssteun kon de economie zich krachtig herstellen.
Echter, nu ondervindt de maatschappij negatieve neveneffecten van deze steunmaatregelen. Doordat faillissementen uitbleven, zijn minder competitieve bedrijven met behulp van overheid in leven gebleven. Sterker nog, uit onderzoek van het CPB blijkt dat bedrijven met de minste levensvatbaarheid en laagste productiviteit het vaakst en de meeste steun ontvingen. Het proces van ‘survival of the fittest’ heeft daardoor maar beperkt plaats gevonden. Minder competitieve bedrijven zijn blijven produceren terwijl diezelfde arbeiders, machines en ruimte op het energienet optimaler ingezet kunnen worden door competitievere bedrijven elders in de sector of economie. Deze inefficiënties in de economie verlagen de productiviteit, remmen economische groei en daarmee de welvaart in Nederland. Dit effect is overigens niet uitsluitend van toepassing op de voedingsmiddelenindustrie.
Offshoring uitgewerkt
Naast een gebrek aan creatieve destructie zijn er meer redenen die de lage groei veroorzaken. In de jaren ’90 heeft een golf van herstructurering en offshoring van laagproductieve activiteiten naar het buitenland plaatsgevonden. Naast goedkope arbeid zijn voedingsbedrijven verplaatst om dichterbij afzetmarkten en toeleveranciers van landbouwgoederen te produceren om onnodig transport te voorkomen. Nederlandse voedingsbedrijven verplaatsten tomatenverwerking naar Italië, appelsapproductie naar Polen en garnalenverwerking naar Marokko. Als gevolg hiervan is de productiviteit eind jaren ’90 sterk gegroeid. De afgelopen jaren was het nóg verder integreren van mondiale toeleveringsketens grotendeels uitgewerkt. De productiviteit die hieruit voortkomt, kwam daarmee stil te vallen.
Bovendien leerde de COVID-crisis, de inval in Oekraïne en recent oplopende geopolitieke spanning dat mondiale toeleveringsketens niet zonder risico’s komen. Als één schakel in de keten omvalt, hapert de gehele keten waarbij grondstofprijzen naar historische hoogtes kunnen klimmen en leveringen worden uitgesteld. Recent is er daarom meer aandacht voor strategische autonomie en de robuustheid van de keten waarbij er in de nabije toekomst eerder minder dan meer offshoring zal plaatsvinden.
Tot slot, de verscheidenheid van bedrijven in de sector is enorm. Naast de grote multinationals die de productie zoveel mogelijk automatiseren is het aandeel mkb-bedrijven met minder dan tien medewerkers met 86 procent in 2024 hoog. Zij produceren vaak lokaal, ambachtelijk en in kleine schaal. Daarnaast zijn er veel familiebedrijven die behoudend zijn als het gaat om grote investeringen. De beperkte omvang van veel bedrijven helpt niet om de gewenste schaalvoordelen te bereiken die nodig zijn om onder andere benodigde investeringen te doen of overhead kosten te kunnen dragen. Dit bleek ook uit recente wetgevingsvoorstellen over duurzaamheidsrapportage (CSRD) en anti-ontbossingswetgeving (EUDR): de administratieve lasten die hier uit voortkomen zijn complex en treffen kleine- en middelgrote bedrijven onevenredig zwaar.
Consolidatie & robotisering kunnen stagnatie voorkomen
Leunen op arbeid en verdere verplaatsing van activiteiten naar het buitenland zijn niet houdbaar voor de langere termijn. Hoe vindt de sector het groeipad omhoog? Bedrijven kunnen op verschillende manieren de toegevoegde waarde te verhogen, zoals door samen te werken binnen de keten of door te focussen op een nichemarkt met ambachtelijke premium producten. Echter, om de productiviteit écht te verhogen en de ‘taart’ van de economie te vergroten pleit ABN AMRO voor de volgende combinatie:
- Robotiseren: Investeringen in kapitaal lopen in de voedingsmiddelenindustrie flink achter. Er komen steeds meer arbeidsbesparende toepassingen op de markt die economisch rendabel zijn. De vrijgekomen arbeid kan elders in de economie ingezet worden. In het verlengde van robotiseren zijn er kansen op ICT-gebied om productie-, voorraad- en transport planning te optimaliseren door middel van artificiële intelligentie.
- Consolideren: Om investeringen in robotisering mogelijk te maken dienen bedrijven voldoende schaal te hebben. De voedingsmiddelenindustrie is momenteel versnipperd en bestaat uit relatief veel kleine- en middelgrote bedrijven. Een consolidatieslag – tot over landsgrenzen – biedt kansen voor schaalvoordelen, vergroot slagkracht met ruimte voor investeringen in kapitaal en R&D en biedt toegang tot nieuwe afzetmarkten.
Meer informatie
Lees alle feiten en ontwikkelingen in het rapport 'Magere groei voedingsbedrijven leunt op goedkope arbeid'.
Lees verder in de foodsector
De Nederlandse foodsector is koploper op het gebied van arbeidsproductiviteit en innovatie. Robotisering, digitalisering en duurzaamheid zijn belangrijke thema’s waarop ondernemers zich onderscheiden ten opzichte van veel internationale concurrenten.